home  

discl. / ©, lid NVJ

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Toets een onderwerp in het zoekboxje, of
klik op ťťn van de letters A..Z hierboven.


warmtecapaciteit, soortelijke warmte, soortelijke warmtecapaciteit, massawarmte

 

warmtecapaciteit C, soortelijke warmte c, massawarmte, volumieke warmtecapaciteit

De warmtecapaciteit C (hoofdletter C) geeft de hoeveelheid energie aan om een voorwerp of materiaal 1 graad in temperatuur te laten stijgen; de eenheid is daarmee Joule per Kelvin.

In formule is de warmtecapaciteit C = ΔQ / ΔT [Joule/K].
De hoeveelheid warmte die toegevoerd moet worden om het materiaal ΔT in temperatuur te laten stijgen is dan: Q = C * ΔT [Joule].

Bij de definitie van warmtecapaciteit is de massa zelf, het aantal kg, niet belangrijk. Vaak willen we echter juist weten hoeveel energie nodig is om 1 kg van een materiaal 1 graad in temperatuur te laten stijgen. Dit heet de soortelijke warmte.

Soortelijke warmte c (energie per kg per Kelvin)
De soortelijke warmte c (kleine letter c) duidt de hoeveelheid energie aan die nodig is om 1 kg van een materiaal 1 graad in temperatuur te laten stijgen. De soortelijke warmte is een warmteopslagvermogen (per kg per graad) en wordt ook wel massawarmte of specifieke warmte genoemd. De eenheid van de soortelijke warmte is daarmee Joule per kg per Kelvin (want c = C / m).

In formule is de soortelijke warmte c = ΔQ / (m * ΔT) en de eenheid is [J/kgK]. 
In formule is de warmte die toegevoerd moet worden Q = c * m * ΔT [Joule].

De soortelijke warmte c van materialen verschilt nogal: water ca. 4200, ijs 2200, beton 840-920, staal 500, polyesterplaat 1470, kurk 1760 en hout 1880 J/kgK. Water komt er door de hoge soortelijke warmte gunstiger uit dan bijvoorbeeld beton. Dat is de reden dat een grote (geÔsoleerde!) ton water als warmteopslag kan dienen.

Voorbeeld: 
De soortelijke warmte van water is 4187 J/kgK. Om een boiler voor de badkamer met een inhoud van 50 liter water 40 graden K (of Celsius) in temperatuur te laten stijgen is dus nodig:
Q = 4187 J/kgK * 50 kg * 40 K = 8.374.000 J ofwel ca. 8,5 MJ (afgezien van de opwarming van de omgeving, de ommanteling van de boiler e.d., waardoor warmte verloren gaat).

Bij de soortelijke warmte van gassen onderscheiden we:
- soortelijke warmte bij constante druk (cp)
- soortelijke warmte bij constant volume (cv).

Voorbeelden van warmtecapaciteiten e.d. zie iets meer over warmtegeleiding.

Warmtecapaciteit (volumiek; energie per m3 per Kelvin)
Ook kan de warmtecapaciteit per volume-eenheid worden gebruikt, de volumieke warmtecapaciteit of volumetrische warmtecapaciteit, de eenheid is J/m3K (water heeft een volumieke warmtecapaciteit van 4187 kJ/m3K; het getal is bij water identiek aan dat van de soortelijke warmte omdat 1 m3 1000 kg is; ofwel 4,2 MJ/m3K).

Muren met meer of minder massa (en ook "faseverschuiving" waarmee in uren het verschil wordt aangegeven in de warmtepiek buiten en binnen waarbij we ernaar streven om de warmtepiek binnenshuis in de nacht te laten vallen)
Of een grote warmtecapaciteit werkelijk gunstig is, hangt van de situatie af. Wanneer vloeren en muren met een grote warmtecapaciteit (groot warmte accumulerend vermogen, zie bij warmteaccumulatie) overdag sterk verwarmd moeten worden, kan het opwarmen van de gehele ruimte vrij lang duren. Tijdens de onverwarmde nachturen wordt de warmte weer uitgestraald. Door de extreme isolatie van nieuwe woningen is het warmteverlies 's nachts bijna te verwaarlozen in de winter en hoeft er niet meer zo veel opgewarmd te worden.
Of muren met meer of minder massa gewenst zijn, is afhankelijk van welke bouwwijze men zelf wenst en hoe de exacte situatie is. Het blijkt dat woningen met meer massa sneller voldoen aan de BENG-eisen dan woningen met lichte constructies (houtskeletbouw en andere vormen van houtbouw); daarom is de BENG-eis voor die woningen met 5 kWh/m2 verhoogd. 
Voordeel van meer massa (een materiaal met een hogere soortelijke massa, een hogere warmtecapaciteit of meer dikte) is: de massa kan meer warmte opnemen en afstaan wat een geleidelijke temperatuurstijging en -daling in de ruimte tot gevolg heeft en dus comfortabel aanvoelt (in de winter kan de zon de muren meer verwarmen waardoor na zonsondergang minder energie nodig is om de temperatuur op peil te houden; in de zomer wordt het overdag niet zo snel warm omdat de muren warmte opnemen).
Nadeel van meer massa is: in de zomer wordt meer warmte opgenomen die 's nachts in huis blijft hangen (nachtventilatie kan een oplossing zijn; zie ook TOjuli bij BENG) en in de winter is overdag meer energie nodig om muren e.d. op te warmen (als die in de nacht hun warmte hebben verloren), maar bij de huidige extreme isolatie speelt de temperatuurdaling 's nachts nauwelijks een rol.
Voordeel van minder massa is: er is in de winter minder energie nodig om de ruimte te verwarmen (de muren nemen veel minder warmte op dan bij "meer massa"). 
Nadeel van minder massa
is: bij veel zoninstraling is de temperatuur in huis snel hoog (de muren nemen nauwelijks iets op) en na verdwijnen van de zon of lager zetten van de verwarming daalt de temperatuur sneller (maar bij zeer goede isolatie speelt dat een geringere rol). Voor slecht geÔsoleerde woningen zou "minder massa" voordelig kunnen zijn omdat dan minder warmte opgeslagen wordt in de muren (warmte die bij slechte isolatie 's nachts weer verdwijnt).

Door zeer goede isolatie en 's zomers goede zonwering en eventueel nachtventilatie is bij nieuwe woningen "meer of minder massa" niet zo belangrijk meer.
(Naast temperatuursverschil ΔT en dikte van het materiaal is bij het opnemen en afstaan van warmte bij bijvoorbeeld een muur natuurlijk ook o.m. de mate van warmtegeleiding belangrijk: de warmtegeleidingscoŽficiŽnt (lambda); lambda beton ca. 1,7 W/m.K en hout ca. 0,15, dus beton neemt veel sneller warmte op dan hout. Er bestond ook nog zoiets als het warmtepenetratiegetal b, de maat voor de reactie waarin de temperatuur van het oppervlak reageert op een warmte-toevoer: b = √(λ*ρ*c) dus afhankelijk van de lamba, de soortelijke massa en de soortelijke warmte. Zie eventueel faseverschuiving.)


voorbeeld gebruik van soortelijke warmte bij berekening van benodigde hoeveelheid warmte voor een boiler;
klik voor het excel-sheet (joostdevree):


Een aantal cijfers:

   
materiaal soortel.
dicht-
heid

ρ

[kg/m3]
soortel.
warmte
c *)


[kJ/kgK]
volum.
warmte-
capaciteit
**)

[kJ/m3K]
warmte-
gelei-
dings-
coŽff.
λ
[W/mK]
aluminium 2800 0,88 2464 237
argex (geŽxp.kleik) 340 1,1 374 0,58-1,00
baksteen 1750 0,84 1470 0,58-1,00
basalt 2700-
3200
0,84-
0,92
2268-
2944
3,5
beton (gew.) 2400 0,92 2208 2,00
beton (grind-) 2400 0,84 2016 1,3-1,9
beton (cellen) 600 0,84 504 0,22
bitumen
(een laag)
1050 1,84 1932 0,66
cellenglas 100-
200
0,84 840-
1660
0,036-
0.058
         
cellulose (vlokken) 22-35
platen: 75-85
2,1 46-
73
0,036-
0,040
chamotte ca. 1700 0,84 ca. 1400 1,1-1,3
cement ca. 1300 0,84 ca. 1100  
clt 450 1,6 720 0,11
eps 150 25 1,45 36 0,035
gietijzer 7500 0,5 3750 50
gipsplaat 700-
1150
1,0 700-
1150
0,2
glas 2500 0,84 2100 0,8-0,9
glaswol zie bij minerale wol
gramitherm 35-45 1,5 52-68 0,041
graniet 2000-
3000
0,82 1640-
2460
3,5
grind (grof) 2000 0,84 1680 0,5
hardboard 1000 1,68 1680 0,17 
hennep (isol.) 35-
40
2,3 80-
92
0,042
hout 550 1,88 1034 ca. 0,2
houtvezel-
plaat
ca. 200 2,1 420 ca. 0,045
houtwol
(isolatie)
55 2,1 115 0,038
humus-
aarde
1450 1,84 2668 0,78
ijs (verg.
water)
917 2,2 2017 2,1
         
kalk-
zandsteen
1750-
2200
0,84-
1,0
1470-
2200
1,0
katoen isolatierol 20 1,6 32 0,039
keramiek 2500? 0,67 1675? 1,46
koelmiddel
MEG glycol 30%
1053 3,591 3781 0,34 
koelmiddel
MPG glycol 30%
1038  3,796 3940 0,34?
kurk (geŽxpand) 100-
200
1,76 176-
352
0,041-
0,046
         
leem,
leemsteen
1650-
1800
1,0 1650-
1800
0,91
leem-
plaat
1450 1,0 1450 0,59
linoleum 1200 1,47 1764 0,17
lucht *) (droog) 1,293 1,005 1,30 0,024
minerale wol (glaswol, steenwol) 15-175
(vaak 30-40)
1,030 15,5-
180
(vaak ca. 30-40) 
0,032-
0,040
naaldhout 550 1,88 1034 0,14
paraffine 900 2,3 2070 0,25
perliet (korrels) 65-
120
0,84 55-
100
0,04-
0,06
pir-schuim 30? 1,2 36? 0,019-
0,022
polyester-
plaat
1200 1,47 1764 0,2
pur-schuim 90 1,47 130 0,035
pvc 1400 1,47 2058 0,17
         
rubber 1200-
1600
1,47 1764-
2352
0,15-
0,29
schapenwol 19-60 1,7 32-102 0,038
sneeuw
(oud)
200-
800
2,3 460-
1840
0,5-
1,8
speksteen 2980 0,98 2920 6,4
staal 7800 0,48-
0,53
3740-
4130
58
steenwol zie bij minerale wol
stro 100 2,1 210 0,052-
0,080
vlas 25-35 1,6 40-56 0,038-
0,040
water
(verg. ijs)
1000 4,187 4187 0,60
waterdamp, 100 gr C *) 0,6 2 1,2 0,016
wol zie bij minerale wol of bij schapenwol
xps 30-40 1,5 45-60 0,027-
0,038
zachtboard 250-
300
2,1 525-
630
0,08
zand (droog) 1600 0,89 1424 ca. 0,2
zand (nat) 1800 ca. 1,1 ca. 2000 ca. 1
zandsteen 2300 0,84 1932  
*) bij gassen is de cp vermeld (constante druk); voor lucht geldt: cp/cv = 1,40
**) volumieke warmtecapaciteit  = soortelijke dichtheid ρ * soortelijke warmte c
let op: het resultaat is waarschijnlijk meestal tť nauwkeurig, uitgaande van de significantie van de brongegevens


Ook de term specifieke warmtecapaciteit wordt gebruikt. Water heeft een specifieke warmtecapaciteit van 1,163 Wh/kg,K (Watt uur per kg per Kelvin). 
De relatie tussen warmtecapaciteit C en specifieke warmtecapaciteit kan als volgt uitgelegd worden:
specifieke warmtecapaciteit van water is 1,163 Wh / (kg, K)
1W = 1 J/s, dus 1 Wh = 3600 J
1,163 Wh / (kg, K) is dan 3600*1,163 J / (kg, K) ofwel 4186,8 J / (kg, K)
omdat 1 m3 water = 1000 kg wordt dit 4186800 J / (kg, K) ofwel 4,2 MJ / (m3, K).

De term capaciteit (geschiktheid, bekwaamheid; laadvermogen, kracht) is via het Franse capacitť ontleend aan het Latijnse capacitas (ruimte, vatbaarheid, geschiktheid), tweede naamval capacitatis, een afleiding van het bijvoeglijk naamwoord capax (veel kunnende bevatten, ruim, omvangrijk), ook in oneigenlijk gebruik: "ontvankelijk voor iets", een afleiding van het werkwoord capere (pakken, nemen). Bron Etymologiebank.

Afbeelding Vinckier.

Zie eventueel warmteaccumulatie, calorische waarde (verbrandingswarmte, energie-inhoud).

Eng. warmtecapaciteit is heat capacity; soortelijke warmtecapaciteit (soortelijke warmte) is specific heat capacity [J/(kg∑K)]