Eigenlijk
"neogotiek". Met deze architectuurstijl wilde men de gotische
bouwkunst doen herleven. Er zijn twee fasen te onderscheiden:
- Sinds ca. 1740 als begeleidend verschijnsel van de
romantische beweging, met name in Engeland.
- Begin 19e eeuw voortkomende uit de liefde voor het (door het
middeleeuwse gildenwezen bevorderde) ambacht, echtheid van materiaal en
de eerlijkheid in constructie. In Nederland zijn vooral de neogotische
katholieke kerken bekend, die in de tweede helft van de 19e eeuw na het herstel
van de bisschoppelijke hiërarchie zijn gebouwd. Bekende architecten
die bouwden in de neogotische stijl zijn P.J.H. Cuypers en A. Tepe.
Praktisch,
maar vooral theoretisch werd de neogotiek bestudeerd en gepropageerd
door de Franse architect E. Viollet le-Duc.
Zowel
de architectonische als de handwerksproducten van de neogotiek zijn
lange tijd als artistiek onbelangrijk beschouwd. In de tweede helft
van de 20e eeuw kwam het besef dat zij wel degelijk esthetische
waarde kunnen bezitten. Dit kwam o.m. tot uiting door het feit dat in
1974 een aantal neogotische kerken op de monumentenlijst werd
geplaatst.