houtwal (en vlechtheg, takkenwal, snipperwand, houtril, houtsingel, stobbenwal, akkermaalshout)

Een houtwal is oorspronkelijk een lijnvormige aarden verhoging die beplant is met houtige gewassen (struiken, bomen) en die:
- dient als bescherming tegen indringen van ongewenste dieren
- als scheiding fungeert tussen akkers
- een vluchtplaats en nestplaats is voor veel dieren.

Houtwallen en de vele varianten daarvan zijn een soort kringloop-wanden omdat het hout op een natuurlijke manier vergaat, mens en dier ervan profiteren en de wanden aangevuld kunnen worden.

Van oudsher komen deze houtwallen vooral op de zandgronden voor (op de veen- en kleigronden zorgen de sloten voor de afbakening), maar tegenwoordig zien we ze soms op gemengde grond en bij weilanden. Houtwallen worden steeds meer een nuttig en aantrekkelijk element in het landschap.

Hout is de benaming van zowel levend als dood materiaal. Een houtwal is daarom ook een haag van snoeihout of dode takken, vaak tussen palen of dunne stammen omdat de haag van takken en stammetjes anders vrij snel uiteen valt. Vooral als er minder ruimte beschikbaar is, kan een houtwal tussen palen uitkomst bieden; voor de erin nestelende dieren is dit gunstig omdat de haag tussen palen vaak steviger is.

Een aantal andere benamingen die doen denken aan een houtwal:
- Vlechtheg. Een vlechtheg is een gevlochten haag van levend materiaal.
- Vlechttuin. Een vlechttuin is de wat wonderlijke naam van een vlechtheg van meestal dode takken (afbeelding).
- Takkenwal. Een takkenwal is een haag die bestaat uit een dubbele rij palen waartussen snoeihout (takken) liggend gestapeld is. Voor een stevige houtwal worden elke 60 cm palen geplaatst van 8-12 cm in diameter. Zet de palen zo diep mogelijk in een gat dat bij voorkeur met een grondboor is gemaakt (met een spa of schep wordt veel grond geroerd, het gat te breed en staat de paal minder stevig); ca. 1/3 van de paal mag in de grond staan. Wanneer de buitenste takken om de palen worden geslagen (toch een soort vlechtwerk dus), dan zullen ook de kleinere takken in het midden van de wal minder niet snel uit de wal gaan.
- Snipperwand. Een snipperwand is meestal een smalle opvulbare wand tussen een enkele of dubbele rij palen waartegen aan weerszijden kippengaas of wapeningsnet (betongaas) is gespannen. Betongaas heeft als voordeel dat ook veel egels e.d. door de mazen kunnen komen, maar kies de maaswijdte niet te groot om de vulling van "snippers" (bladeren, kleine takjes e.d.) goed bijeen te houden. Bladeren hebben het nadeel dat die meestal na vrij korte tijd vergaan, maar het voordeel dat de snipperwand een volgend seizoen of jaar weer gebruikt kan worden om te vullen... Soms legt men op de snippers in de snipperwand een paar rijen moten van gesnoeide stammetjes waardoor de bladeren wat aangedrukt worden en deze minder snel wegwaaien of uit de wand gewroet worden.
- Houtril. Een andere naam voor een houtwal van dood materiaal of snoeimateriaal is houtril, maar de term houtril wordt meestal gebruikt voor een wal van dunnere en dikkere stammetjes (snoeimateriaal, rooimateriaal; dunnere en dikkere stammetjes van ongeveer dezelfde lengte om een compacte eenheid te vormen).
- Houtsingel. Wanneer de gewassen van de houtwal op dezelfde hoogte staan als het omringende land en er dus geen verhoging is, wordt (ook) gesproken over een houtsingel. Zowel houtrillen als houtsingels zijn meestal lager dan houtwallen.
- Stobbenwal. "Een stobbenwal is een aarden wal waarin afwisselend bovengrondse en half ingegraven wortelstobben van bomen zijn verwerkt."
- Akkermaalshout. Eiken werden vaak geŽxploiteerd als hakhout en stonden dan als heggen langs bouwland (vandaar de naam, die oorspronkelijk betekende "hout, dat aan de grens van den akker staat". (Oosthoek 1916 via Ensie)

Toepassingen en voordelen van de houtwal
- als grenswal: scheiding tussen akkers (percelen, scheiding van eigendommen, wal van celtic fields), tussen akkers en "woeste grond" (bijvoorbeeld een wilgenschutting), tussen wegen en akkers of woeste grond (wegwallen)
- als wildwal en veewal: weermiddel tegen de vraatzucht van varkens, runderen en wilde dieren (zij kunnen niet meer bij de akkergewassen komen)
- als vluchtplaats en nestplaats van allerlei soorten dieren (vogels zoals merels, mussen en zanglijsters; insecten; zoogdieren zoals egels, muizen en dassen; amfibieŽn zoals salamanders en padden; reptielen zoals de hagedis); ook op de vruchten van de gewassen komen veel dieren af; in parken en parkachtige bossen geven houtwallen bescherming voor bosdieren tegen opdringerige honden en nieuwsgierige mensen; ratten zul je niet snel in een houtwal aantreffen omdat daar voor hen geen eten is
- als goedkope en nette eindbestemming van snoeihout (snoeimateriaal)
- als bron voor geriefhout (aanmaakhout, hout om stelen voor bijvoorbeeld schoppen en bezems te maken)
- als zonwering voor o.m. boerderijdieren (schaduwplaats voor varkens, koeien, schapen)
- als zandheg (een haag, vaak van jonge eikentakken, waarmee men zich beschermde tegen stuifzand)
- als kribbe ("dam om de bedding van een rivier te versmallen en zo de stroom te versterken, loodrecht of schuin op de oever", Van Dale)

De meest voorkomende, veelal inheemse gewassen in de houtwal zijn tamme kastanje, hazelaar (de vrucht heet hazelnoot), eenstijlige meidoorn (hazen en konijnen schijnen wel eens aan meidoorn te knagen), mispel, gewone vlier, brem of geitenklaver, sleedoorn, gewone braam, kardinaalsmuts, kornoelje, vuilboom, soms ook eik maar dat groeit langzaam. Toevoegen van klimop, kamperfoelie, klimroos en vlierbes helpt mee de houtwal steviger en minder doordringbaar te maken. Planten die vruchten of noten dragen, zaaien zich gemakkelijk uit en vormen een voedselbron voor allerlei dieren. 

Vanaf de intrede van het prikkeldraad zijn veel houtwallen afgebroken omdat er door de boer geen onderhoud meer uitgevoerd hoeft te worden aan de houtwal, er geen schaduw meer valt op de akkers en de oogstmachines moeilijk vlak langs de houtwal kunnen rijden. "Het beeld van het landschap werd daardoor niet alleen minder romantisch maar vooral minder ecologisch omdat de bescherming van veel dieren is weggevallen."

Bouwen en onderhoud van een houtwal van levende gewassen
"Houtwallen kunnen worden gemaakt door een greppel te graven op de plaatsen waar een afscheiding gewenst is. De vrijkomende grond vormt een wallichaam direct naast de greppel. Het komt ook voor dat op korte afstand van elkaar twee evenwijdige greppels worden gegraven, met een wal er tussenin. Na het graafwerk wordt de wal beplant met bomen en struiken die in de omgeving voorkomen." Voor de stevigheid van de houtwal is het handig als uitgegaan wordt van een rij jonge boompjes die in later jaren gebogen of geknot worden.  Het voordeel van inheemse gewassen is dat deze zich vaak uitzaaien waardoor de houtwal vanzelf groeit en zo een betere afscheiding vormt en een betere vluchtplaats en nestplaats voor dieren vormt. 
Veel variatie in gewassen, niet alleen in soort maar ook in dikte en groeisnelheid, heeft als voordeel dat zich er meer verschillende soorten dieren zullen nestelen. 
Voor een snelle ondoordringbare haag kan ook snoeihout (takken en twijgen) tussen de levende struiken worden geplaatst. Het dunne dode takwerk neemt voor een deel de zon weg waardoor er meer vocht in de houtwal blijft wat de groei van en op de levende houtwal bevordert. Het dode hout gaat rotten wat meer insecten aantrekt en daardoor meer ander dieren. Andere zaken die het leven of overleven van dieren vergemakkelijken, zie hulpmiddelen t.b.v. dieren
Als de houtwal teveel uitloopt, kunnen de uitlopers gesnoeid worden. Eťnmaal per jaar of om het jaar snoeien lijkt voldoende te zijn. Zo nu en dan zullen wat grotere "gaten" in de houtwal gedicht moeten worden met nieuwe struiken.

Houtwallen werden opgeworpen met grond naast de houtwallen; de zo ontstane diepe greppels aan ťťn of beide zijden van de houtwal zijn soms als sporen in het land herkenbaar en archeologisch interessant (grondverkleuringen, bij greppels aan beide zijden een paar meter van elkaar).


klik op de afbeeldingen voor groter!

houtwal van struiken en bomen (provinsje frysl‚n):


houtwallen bij de
celtic fields in het landschap van pembrokeshire, engeland (dyfed archeology): 


Bouwen en onderhoud van een houtwal van dode takken, stammen e.d.
Een houtwal van dode takken en twijgen kan in een paar jaar uiteenvallen. Het is aan te raden de houtwal met palen in te perken. De takken met draad bijeenbinden is door de compactheid voor veel dieren minder gunstig.
Ook een houtwal die oorspronkelijk met dode takken e.d. is gevormd, kan na verloop van een aantal jaren begroeid zijn; in de houtwal ontspruiten immers toch zaden van onkruid, struiken en bomen.
Omdat het hout in een houtwal van dode gewassen na verloop van tijd gaat rotten en uiteen valt, moet de houtwal na een aantal jaren met snoeihout opgehoogd worden.


klik op de afbeeldingen voor groter!

houtwal van snoeihout:


houtwal in het bergse bos in bergschenhoek (foto joostdevree):


bouwen van een houtwal (foto warre):


houtwal bij akkers:


houtwal,
houtril van boomstammetjes van verschillende dikte, begroeid (bomenkapper):


vlechttuin, vaak toegepast om te vermijden dat ballaststenen naar beneden rollen, bijvoorbeeld bij het talud van een dijk; de tekening toont het bouwen van een vlechttuin; de eerste steek, de tweede vlechtlat, voltooid, bovenaanzicht met sleutelstuk (van breen, 1920):


snipperwand (hoveniersbedrijf de hofmaekers):


Documentatie
- Over verschillende soorten wallen, de wallenbundel "Tot hier en niet verder, historische wallen in het Nederlandse landschap" (van Cultureel Erfgoed)

Een wal is een opgeworpen, langgerekte versterking. Een ril is de rug tussen de groeven of voren in een akkerland.

Verg. vlechtheg, zwervende erven (celtic fields).

Eng. wooded bank