home

discl. / , lid NVJ

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z


mastiek

 

mastiek

1. Mastiek is een kitlijm of bitumeus mengsel van harsachtige stoffen, koolteer, asfalt, zand e.d. voor bijvoorbeeld reparaties van bepaalde soorten dakbedekking of om iets waterdicht te maken. Overigens, milieutechnisch is de oorspronkelijke mastiek waarschijnlijk niet meer toegestaan. 



2. Mastiek of asfaltmastiek is een teerachtig materiaal en wordt bereid uit een mengsel van bitumen, zand en steengruis. Mastiek wordt bv. als bindmiddel toegepast bij de fabricage van "bitumen" dakrollen en vroeger ook voor vloeren.
Zie ook mastiekhoek.
Verg. asfalt, gietasfalt.


3. Vlaams: stopverf.

Het woord mastiek is voor alle hier genoemde betekenissen, al dan niet via het Franse mastic, ontleend aan het Laatlatijnse masticum, mastica, een nevenvorm van het Latijnse mastiche (aromatische hars van de mastiekboom Pistacia lentiscus), dat zelf ontleend is aan Grieks mastikhe (id.). Het Griekse woord is afgeleid van mastikhaein (knarsetanden), een expressieve afleiding van mastazein (kauwen), horend bij mastax (mond, kaken).

Eng. mastic