home joostdevree.nl
bouwencyclopedie
nieuws

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z


adverteren via Google
 disclaimer / ©

lid NVJ

koekoek

 

koekoek

1. Ook: vossengat, soms kelderkoekoek. Een tegen het maaiveld gelegen uitgebouwde bak aan de kelderwand die ervoor zorgt dat het licht in de kelder kan treden of, zonder glazen afsluiting, als ventilatiekanaal van de kruipkelder fungeert (zie foto links). 


bak aan kelderwand


Zie bv. Tilmar.

Het woord koekoek komt ca. 1600 voor als kockock (uitstekend venster, luik), als koekoek (een koker om een vallend licht in een winkel te hebben) ca. 1700 en het Nieuwnederlandse koekoek (kap op een schoorsteen, gek) ca. 1800. De overeenkomstige betekenis van "iets wat uitsteekt" is waarschijnlijk ontstaan door associatie met koeken (gluren, uitkijken). Gewestelijke vormen als koekuit of kijkuit ondersteunen dit (WNT/INL). Bron Etymologiebank.
Eng. lightwell, dugout window


2. Een koekoek is een kleine dakkapel, vrij hoog in het dak aangebracht. Soms wordt een normale dakkapel ook minder terecht koekoek genoemd.


kleine dakkapel


3. Een koekoek is een glazen dakkoepel of dakopzet voor lichtinval.


dakkoepel of dakopzet



beurzen, beeldbanken, barters e.d.