home  meewerken

discl. / ©, lid NVJ

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Toets een onderwerp in het zoekboxje, of
klik op één van de letters A..Z hierboven.


Hout

 

Onderdelen van hout-allerlei zijn:

Dwarsdoorsnede van de stam van een boom *)



Van buiten naar binnen onderscheiden we:

  • Schors: de afgestorven verkurkte bast. De schors beschermt de boom voor invloeden van buiten (aantasting, vorst).

  • Bast: een vrij dunne laag weefsel dat de voedingsstoffen (suikers) die in de bladeren van de boom met behulp van zonlicht, bladgroen en koolzuur uit de lucht zijn gevormd, in water opgelost naar de wortels te transporteren.

  • Cambium of teeltlaag: slechts één cel laag dik "weefsel", dus ca. 0,02 à 0,03 mm, waar door celdeling de groei van het hout (bast en spint) plaatsvindt. Direct na de celdeling zijn de cellen dunwandig en met "leefstof" (protoplasma) gevuld. Bij het afsterven, het zogenaamde verhouten, verandert het protoplasma in voornamelijk twee zeer belangrijke versterkende stoffen, cellulose en lignine. Een bepaalde laag in de cellulose speelt de belangrijkste rol bij vormveranderingen in de breedterichting van het hout onder invloed van vocht. Door hout opgenomen vocht kan namelijk tussen de cellulosebundels kruipen en deze van elkaar duwen. In de lengterichting kan dat praktisch niet. Vandaar de grote verschillen in krimpen en zwellen door vocht in de lengte- en breedterichting.
    Het cambium zorgt in ons klimaat voor de groeiring  (vroeger: jaarring; klik op de foto's rechtsboven)

  • Spint of spinthout: het levende deel van een boom, dat uit een aantal groeiringen bestaat. Het spint is in de levende boom zeer rijk aan water en voedsel omdat door dit hout het transport van water plaatsvindt van de wortels naar de kruin.

  • Kernhout: op zeker moment sterft het spinthout aan de "binnenzijde" af en ondergaan de groeiringen een verandering, het zogenaamde verkernen. De kern heeft vaak een donkerder kleur dan het spint.

Verder zijn er nog de houtstralen (vroeger mergstralen genoemd) die horizontaal vanuit de bast naar de kern (het midden) van de stam lopen en die zorgen voor de opslag en het transport van water en voedingsstoffen. De houtstralen staan in verbinding met de tracheïden, de watergeleidende cellen die in de lengterichting van de stam lopen. Waar de houtstralen en tracheïden elkaar snijden (de crossfields) is zichtbaar aan de zogenoemde stippels. De stippels hebben een membraan dat water doorlaat.


*) Met dank overgenomen uit het boek Bouwmaterialen van ing. M.W. Verver en Grondboor & Hamer van de Landelijke Vereniging voor Geologische Activiteiten (LVGA).

Meer doorsneden van de stam

klik op de afbeeldingen voor groter!

jaarringen (groeiringen), houtstralen (mergstralen, soms een spiegel vormend), kernhout, spinthout, cambium en bast in hout met secundaire floëem en kurk (bron pijl en boog):


richtingen van doorsneden in hout: axiaal (loodrecht op de as van de stam; ax = as), radiaal (door as van de stam en over de straal van de stam; radius = straal), tangentiaal (loodrecht op de straal, niet door de as van de stam): 


axiale richting (kopse vlak is doorsnede loodrecht op de as van de stam);
radiale richting (radiaal vlak is
door as van de stam en over de straal van de stam; kwartiers gezaagd hout);
tangentiale richting (tangentiaal vlak is evenwijdig aan de jaarringen, niet door de as van de stam; dosse gezaagd hout):


enkele eigenschappen van naaldhout:

D = dwarsdoorsnede

R = radiale doorsnede

T = tangentiale doorsnede

B = bast

J = jaarring

V = vroeghout

L = laathout

c = cambium

m = mergstraal of houtstraal

h = harskanaal of houtparfenchym


soorten cellen van een conifeer, houtstralen (mergstralen), parenchym, tracheïden, hofstippels (rechterbovenhoek gaat richting midden van de stam):


Het ontstaan van een noest (kwast) *)



Tijdens de groei van de boom ontwikkelen zich aan de stam de takken (figuur a en b). De door de stam ingesloten gedeelten van takken noemen we noesten of kwasten (figuur c en d).

*) Met dank overgenomen uit het boek Bouwmaterialen, van ing. M.W. Verver.

Het wateren van hout; drogen van hout

Bij het wateren van hout worden de stammen enige tijd in liefst stromend water gelegd (balkenvijvers) met als  doel

het behoud van de kwaliteit: er ontstaan minder scheuren en schimmels, insecten tasten het hout later minder aan.


Het drogen van hout kan op twee manieren: natuurlijk (in de open lucht) of kunstmatig (in droog- of klimaatkamers).
Het gemiddeld vochtgehalte van natuurlijk gedroogd hout bedraagt ongeveer 18%; meestal is het wat meer. Als het vochtgehalte van het hout onder de 18% moet komen, dan is men aangewezen op een droogkamer (zie ook evenwichtsvochtgehalte). Het lagere vochtgehalte wordt hierbij (gecontroleerd) in kortere tijd bereikt. Scheurvorming, verkleuring en aantasting worden uiteraard vermeden. 

Hout voor parketvloeren wordt altijd kunstmatig gedroogd.


Duurzaamheid

Zie bij duurzaamheidsklasse.


Speciale houtschroef

Er is een speciale schroef waardoor het hout minder snel splijt bij het indraaien en dus minder vaak voorgeboord hoeft te worden; bijvoorbeeld de Dynaplus Constructieschroef verzinkt platkop:


Determineren

Een Engelstalige online determinatielijst voor loofhout en coniferenhout


Versteend hout


"Na het afsterven wordt de boom direct bedenkt met fijnkorrelig sediment zodat er geen lucht bij kan komen. Circulerend water lost de organische bestanddelen op en vervangt ze door minerale bestanddelen. Er vindt een uitwisselingsproces plaats." (Bron Edelsteenwinkel Karbonkel.) 
Dit wordt versteend hout genoemd.