1.
Een schoorsteen is een meestal gemetselde en beklede ondersteuning (schoor) van de rookvanger boven een tegen de muur aangelegde
stookplaats. Andere verklaringen: het stenen afvoerkanaal voor rook; de onderboezem voortzetting van de
schouw.
De huidige vorm is sinds midden 17e eeuw in zwang toen het gebruik van open vuur beperkt werd. In de middeleeuwen placht het rookkanaal over een deel van zijn hoogte naar buiten gemetseld te
zijn; vandaar bv. de woorden schoorsteenstoel (ondersteuning
van de schoorsteen), schoorsteenschacht of schoorsteenpijp
(schoorsteenkanaal). Het boven het dak uitstekende gemetselde deel van het
rookkanaal wordt in de volksmond ook wel schoorsteen genoemd. Ook
de schoorsteenstoel rond de vuurhaard wordt schoorsteen genoemd, denk aan het
woord schoorsteenmantel.
De derde foto van links geeft de oostelijke gevel van de Beurs van Berlage: de schoorsteen stond oorspronkelijk midden in het gebouw, waar zij vanwege haar warmte het metselwerk deed
barsten; daarom is zij verplaatst naar de buitenzijde.
Tegenwoordig wordt als schoorsteeneinde op het dak wel een losse schoonsteen toegepast
(prefab, foto geheel rechts).
Het woord schoorsteen is gevormd uit de stam van het werkwoord schoren
(ondersteunen) en het zelfstandig naamwoord steen; bron Etymologiebank.
Foto's o.m. van Maas
Aannemersbedrijf, Wichers
Bouw, Jan Derwig.
Zie ook Heblad. Eng. chimney; (boven het dak uitstekende deel) chimney, chimney stack;
(rookkanaal) flue; (stookplaats) fireplace; de schoorsteen laten vegen is to
have the chimney swept; vrijstaande schoorsteen is freestanding chimney