home

discl. / ©, lid NVJ

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

advertenties:


frijnen, frijnslag

 

frijnen

Frijnen is een bewerking van natuursteen. Bij frijnen met de hand wordt een glad vlak van de steen met een hamer en een brede beitel behakt. Bij machinaal frijnen wordt het gladde oppervlak gefreesd. Dat geeft strakke, rechte, evenwijdige lijnen, die een minder levendig uiterlijk hebben dan bij handmatig frijnen. Het oppervlak van de te frijnen steen is gladgeschuurd of gezaagd.
Het aantal beitelslagen varieert van ca. 10 tot ca. 35 per palm (1 palm is 100 mm; de breedte van de palm van een hand). Een grove frijnslag bevat ca. 10-20 slagen per palm. 

Gegevens uit Bestekstermen natuursteen (van Cultureel Erfgoed) met betrekking tot frijnen (en scharreren):
- Het aantal slagen en de onderlinge afstand tussen de slagen. Het aantal slagen kan variŽren van 18 tot 36 slagen per 100 mm, gemeten haaks op de richting van de slagen (werd oorspronkelijk gemeten in het aantal slagen per palm). 
- De stand van de beitel. De steenhouwer kan de beitel iedere keer uit de steen slaan. Dan ontstaat dus het beeld van een scharreerslag. Deze slag noemt men in Nederland ook wel de Belgische frijnslag ("Belgisch frijnen"), hoewel deze benaming niet altijd aansluit bij de praktijk. Het verschil met de scharreerslag is dus dat de slagen even breed zijn en in elkaars verlengde liggen. Bovendien wordt bij het frijnen de beitel aangelegd waar bij de vorige slag de beitel uit de steen geslagen is. Bij het scharreren wordt onder deze lijn aangelegd. Frijnen wordt immers uitgevoerd op een glad vlak, scharreren op een ruw vlak. Om sporen van voorafgaande bewerkingen onzichtbaar te maken, moet bij het scharreren de beitel dus dieper aangelegd worden. De steenhouwer kan ook eerst de beitel in de steen slaan, een "steekslag", en vervolgens er weer uit (Hollandse frijnslag, "Hollands frijnen"). In BelgiŽ ziet men gefrijnd werk waarbij de steenhouwer zoveel steekslagen maakt als nodig is om de slag breed te maken, om vervolgens als laatste de beitel uit de steen te slaan. 
Bij "Belgisch frijnen" wordt elke uitholling veroorzaakt door een enkele slag, waarbij de beitel uit het oppervlak wordt geslagen.
Bij "Hollands frijnen" worden slagen in paren aangebracht. Steeds wordt de eerste slag ingezet net onder de rand van de voorgaande uitholling en wordt de beitel enigszins in de steen geslagen ("steekslag") en de tweede slag net boven het diepste punt van de eerste ingezet, waarbij de beitel uit de steen wordt geslagen. Dit is het bekendste voorbeeld van een wijze van hakken, waardoor met verschillen in de opeenvolgende slagen een karakteristiek patroon wordt verkregen (bij Belgisch frijnen worden de uithollingen met identieke slagen verkregen).
- De richting waarin de slagen worden gelegd. In principe worden steeds vanuit dezelfde kant van het blok de slagen gelegd.
- Het patroon waarin de slagen worden gelegd. Frijnwerk is een zuivere sierslag en men heeft naast het patroon van de "randslag" met haaks daarop de slagen over het vlak, in de loop der tijd ook allerlei andere patronen bedacht, zoals de "kathedraalslag volgens ruitjespatroon",de "kathedraalslag volgens dambordpatroon", de "visgraatslag"en de "wilde kathedraalslag".


youtube-filmpje over frijnen van cultureel erfgoed (de doorgetrokken lijnen helpen bij het constant houden van de afstand tussen de slagen):


frijnen, oude frijnslag (steenhouwerij kanters):


frijnen in twee richtingen, brede beitel (steenhouwerij kanters):


Zie verder bij bewerkingen van natuursteen.

Eng. to boast