home

discl. / , lid NVJ

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z


talud

 

talud

Ook: beloop. Het talud is de schuinte van het zijvlak van aardwerken, dijken, spoorbanen, vestingwerken e.d. (Het talud is dus de helling of glooiing van zo'n grondwerk.)
Het horizontale deel van een grondwerk met talud, wordt banket genoemd.
De gebogen, iets bollende vorm van een talud wordt tonrondte genoemd.


talud trekken t.b.v. bijvoorbeeld een spoorweg:


talud bij een vesting:


Zie ook natuurlijk talud.

De term talud is ontleend aan het Middelfranse talut, tallut, talu (Nieuwfrans talus), ontwikkeld uit het Latijnse talutium (helling, uitspringende rotslaag); dat woord is waarschijnlijk ontleend aan een Keltisch woord taluton, een afleiding van talos (voorzijde, voorhoofd); bron Etymologiebank.

Eng. slope; talud van een dijk is slope of a dyke/dike; flauw talud is gentle slope; hellingshoek van het talud is slope gradient; (van vestingwerken) talus