1. Ook:
voegwerk. De voeg is het
zichtbare deel van de metselspecie of lijm tussen bakstenen,
tegels of andere materialen die niet direct tegen elkaar
worden gelegd, heet het medium een voeg.
Soms is er sprake van een schijnvoeg (namaakvoeg), bijvoorbeeld bij blokbepleistering,
bij betonstraatstenen (meer stenen per te leggen "steen") en
bij laminaattegels (waar ca. 1 cm van de buitenste rand van de tegel
de voeg is).
Goed voegwerk van de gevel is van het grootste belang en verzorgt vele functies in technische en esthetische zin.
Goed voegwerk "ademt" en transporteert en voert water af. Voegen
moeten soms vervangen worden, bijvoorbeeld bij vochtdoorslag door het voegwerk
of vorstschade. De volgende werkzaamheden zijn dan van toepassing:
aanvoer en montage van steigers, uitslijpen/uithakken bestaande
voegwerk, reinigen van de gevel, aanbrengen van voegwerk, hydrofoberen
(waterafstotend maken, impregneren, beschermen, conserveren) van het metselwerk, glazenwassen, demontage
en afvoer steigers.
Voor restauratiewerk wordt regelmatig een hydraulische
kalk gebruikt als voegmiddel omdat deze minder hard is (dezelfde
hardheid als de oude baksteen) en, dit geldt niet alleen voor
restauraties, veel minder verweert dan een cementgebonden voegmiddel.
Grotere formaten baksteen verlangen bredere voegen.
De pagina Voorbeelden van voegtypen geeft:
de bolgeklopte voeg, dagvoeg, geslepen
voeg, geknipte voeg, holle voeg, koude voeg, platvol geborstelde of
gekamde voeg, platvol gladde voeg, schaatvoeg, schaduwvoeg, teruggehouden voeg, verdiepte
voeg.
Een zetvoeg is een voeg om de zetting van een gebouw of een deel ervan op te
vangen.
De foto onder toont dezelfde baksteen met verschillende
voegkleuren, waaruit duidelijk blijkt dat de voegkleur bepalend is voor het uiterlijk van de
muur. De keuze van de voegkleur is architectonisch zeer belangrijk.
uiterlijk van het metselwerk bij toepassing van specie (gevulde voegen),
lijm (smallere voeg) en (vrijwel) voegloos (daas
baksteen):
Er kan met bepaalde baksteensoorten ook volledig voegloos worden gewerkt of zonder
stootvoegen. De metselstenen moeten bij
voegloos werk wel exact dezelfde maat hebben (afwijking ca. 0,1 mm bijvoorbeeld)
omdat anders het metselbeeld "verloopt".
(bijna) voegloos "stapelwerk" met de clickbrick van daas (daas
baksteen):
De foto rechts toont een voeghardheidsmeter, een pendelhamer
van Schmidt (type PM), speciaal bestemd voor het meten van de hardheid van voegen in metselwerk volgens de methode
TNO-IBBC:
het instrument heeft een slagstift ("hamer") die met een pendelbeweging op het oppervlak van de mortel
slaat en de afstand die na terugslag van de stift wordt afgelegd is af
te lezen op de schaalverdeling (hoe harder de voeg is des te groter de
terugslag).
De herkomst van het werkwoord voegen (verbinden, bij elkaar doen;
schikken, passen) is het Proto-indo-europese pohkeie (vastmaken of
passend maken); bron Etymologiebank.
2. In
het algemeen: een voeg is een nagestreefde onderbreking van meestal gelijksoortige delen van
een muur of vloer of plafond, bijvoorbeeld de ruimte tussen bakstenen (zie
hierboven), tegels, gipsplaten e.d.
Als de voeg voor een fors deel open
blijft, wordt meestal van naad gesproken.
Verg. dilatatievoeg, hangnaad,
maar bijvoorbeeld ook bouwnaad (is
meestal een voeg maar omdat de delen uit een andere periode zijn wordt van naad
gesproken)