home

discl. / , lid NVJ

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z


vissingstuk

 

Advertentie:

vissing, vissingstuk, vissingdeel, visser, vissingplank

De betekenis van vissing, visser, vissingstuk, vissingplank of visserman is in de zeevaart, binnenvaart en pleziervaart niet altijd gelijk; er zijn verschillende "dialecten".

"In de binnenvaart spreekt men van vissing of visser en daarmee worden de constructiedelen rond de mast bedoeld.
In de bouw van kleinere lichte houten scheepjes en bij het leggen van dekken spreekt men van vissingstuk of vissingplank: de midscheepse plank die de scheiding vormt tussen de beplanking aan bakboord en die aan stuurboord." Het vissingstuk is in dit geval dus het aansluitende constructiedeel rond de mast of (bij ontbreken van een mast) in het midden van de dekvloer.

Kantdelen zijn de plankjes die langs de randen lopen. De kantdelen van de dekvloer bij de buitenzijde van de romp noemt men vaak lijfhouten

In alle gevallen betreft het dus vulstukken (passtukken) in de dekvloer (scheepsvloer). Vissingstukken zijn vaak teak latten in dezelfde dikte als de dekdelen.


het vissingstuk is het lobvormige passtuk in het midden van de dekvloer (foto toxiq, woodworking):


het lijfhout is het kantdeel langs de buitenzijde van de romp (teak-dekdelen):


Met dank aan Pieter Klein en Binnenvaarttaal.