home

discl. / ©, lid NVJ

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z


uitbloeiing, uitbloeding

 

uitbloeiing, meer *)

Uitbloeiingen : een oud zeer


Iedereen kent het verschijnsel: bij het uitdrogen van nieuw metselwerk kan het voorkomen dat op het oppervlak van de stenen een (meestal wit) waas achterblijft. Dit waas bestaat uit oplosbare zouten die samen met het vocht uit de stenen naar het oppervlak zijn gemigreerd en daar als poeder achterblijven nadat het vocht is verdampt.
Meestal verdwijnen deze "uitbloeiingen" vanzelf, onder invloed van regen en wind. Soms zijn ze hardnekkiger en erg moeilijk te verwijderen.

voorbeeld van uitbloeiing (baksteen):



Uitbloeiingen zijn zoutachtige afzettingen die kunnen voorkomen als witte nevel, vlokken of harde korsten.Wanneer water zich door capillariteit verplaatst in de poriŽen van het metselwerk worden in water oplosbare zouten meegevoerd. Deze zetten zich af aan de oppervlakte van het metselwerk waar ze door verdamping kristalliseren. De meest voorkomende zoutsoorten zijn de alkalische (natrium en kalium) en de magnesiumsulfaten. Salpeter-uitbloeiingen komen uitsluitend voor in de nabijheid van meststoffen.

voorbeeld van metselwerk dat bij regen (deels) niet werd afgedekt (foto joostdevree):




Mogelijke oorzaken van uitbloeiingen

Zouten in de ondergrond

Heel wat grondsoorten bevatten sulfaten en nitraten. Door opstijgend grondwater veroorzaakte uitbloeiingen kunnen soms zeer schadelijk zijn omdat ze de stenen doen afbrokkelen (muurkanker).

Te voorkomen door:
o Een perfect aangebrachte waterkerende laag onderaan de muren.
o Muren die in aanraking komen met de grond van een waterondoorlatende beschermingslaag te voorzien (kelder-, funderings- en grondkerende muren).

Zouten in baksteen

Zeer oplosbare zouten zijn aanwezig in de grondstof waarmee bakstenen gemaakt worden. Deze ontbinden grotendeels tijdens het bakproces. Baksteen bevat zeer weinig oplosbare zouten. Als voldaan wordt aan de proef volgens NBN B 24-209 zal de kans op uitbloeiingen geringer zijn.

Zouten in de mortel

Cement bevat altijd stoffen die in de mortel omgezet worden en kunnen reageren met de bakstenen.
Gebruik van cement dat natriumsulfaat bevat (bijvoorbeeld slakkencement) kan zeer zware uitbloeiingen teweegbrengen in de voegen die soms jarenlang blijven aanslepen. Deze zijn niet met water te verwijderen, afspoelen verergert zelfs het effect.

Te voorkomen door:
o Gťťn cement te gebruiken dat sulfaten bevat.

Reactie van de mortel op de baksteen

Baksteen wordt verwerkt met mortel. Hierin bevinden zich steeds in water oplosbare, vrije zouten. Cement bevat immers altijd natrium- en kaliumoxiden die tijdens het aanmaken van de mortel de overeenkomstige hydroxiden opleveren. Tijdens de hydratatie of de verharding van verse mortel (en beton), vooral tijdens de eerste dagen, is de mortel praktisch niet-cappillair, in tegenstelling tot de baksteen. Hierdoor kan het regenwater de vrije zouten en de hydroxiden naar de bakstenen overbrengen.
De hydroxiden reageren met het calciumsulfaat van de baksteen en vormen eveneens alkalisulfaten (met name Na2SO4 en K2SO4). Deze zijn in tegenstelling tot CaSO4 wel uiterst oplosbaar in water.
Bij het uitdrogen van het metselwerk ontstaat een migratie van de gevormde alkalisulfaten naar het verdampingsoppervlak van de snelbouw (waar deze uitkristalliseren).

Andere oorzaken

De kans op uitbloeiingen wordt groter bij :

o Het gebruik van onzuiver aanmaakwater of zand.
o Het gebruik van bepaalde toeslagstoffen in de mortel.
o Contact met nabijheid van zoutbevattende oplossingen, nitraten en nitrieten.

hier is onder een viaduct zelfs uitbloeiing in de vorm van druipsteen opgetreden (rijkswaterstaat):




Uitgebreider behandeling


Veel grondsoorten bevatten sulfaten

Bij grondkeermuren of bij muren die zonder waterkerende laag gemetseld werden, kunnen die sulfaten samen met grondwater door het metselwerk opgezogen worden en zo uitbloeiingen veroorzaken. Uiteraard gaat het hier om een "zoutbron" die onuitputtelijk is, zodat dit soort uitbloeiingen een quasi permanent karakter heeft. Men kan de zouten afwassen, maar ze zullen steeds terugkeren. Ook hier geldt, dat men voor een goede uitvoering moet zorgen. Zo moet een grondkeermuur aan de kant van de grond waterdicht gemaakt worden.

Is de toevoer van zouten zeer groot, dan kan het gebeuren dat de zoutafzetting vlak achter het buitenoppervlak van de stenen optreedt. De zouten die zich daar verzamelen gaan na verloop van tijd hydrateren, wat gepaard gaat met zwelling en soms zelfs met beschadiging van de stenen.
Naast de klassieke uitbloeiingen, bestaan er verschijnselen die zeldzaam zijn, maar zeker ook hinderlijk.

Salpeter

Lezers van griezelverhalen weten dat de muren van grafkelders (in die verhalen) met witte "salpeter" bedekt zijn. Salpeter (natrium- en kaliumnitraat) is een zout dat gevormd wordt tijdens het rottingsproces van organische stoffen. Salpeter is goed oplosbaar en kan dus in metselwerk verspreid raken en op het oppervlak van metselwerk afgezet worden. Alhoewel "salpeter" een populaire naam is die men soms algemeen aan uitbloeiingen geeft, is het een zelden voorkomend verschijnsel, dat eigenlijk alleen te zien kan zijn bij oude grafkelders, beerputten en slecht ontworpen veestallen.

Steenkool

Steenkool bevat bijna altijd pyriet en steenkolen die in open lucht tegen een muur worden opgestapeld veroorzaken dezelfde reacties als die we kennen bij vers metselwerk. Alleen is de pyrietbron hier onuitputtelijk en de uitbloeiingen kunnen doorgaan zolang de steenkool aanwezig blijft.


Zouten aanwezig in de stenen zelf

Nogal wat kleisoorten waaruit baksteen gemaakt worden bevatten pyriet. Indien de baktemperatuur van de stenen laag is, kunnen alkalische en magnesiumzouten gevormd worden die aanleiding geven tot uitbloeiingen. Men kan stellen dat dergelijk soort gevelsteen thans niet meer op de markt komt. Inderdaad kan men via een eenvoudige proef (verzadigen van de steen met gedistilleerd water) nagaan of de stenen dit soort zouten bevatten.
Bovendien zijn laag gebakken stenen in de regel ook niet vorstbestendig, wat ze als gevelsteen ongeschikt maakt.
Bij oude muren, gemetseld uit stenen uit oude (artisanale) ovens waarin de temperatuurverdeling niet altijd egaal was, komt het voor dat, als gevolg van onzorgvuldig sorteren, hier en daar een minder goed gebakken steen in het buitenspouwblad zit. Men merkt deze stenen dan op door hun lichtere kleur en/of lokale uitbloeiing. Bij heel oude muren tonen minder goed gebakken stenen tekenen van verwering.
Typisch voor dit soort uitbloeiing is, dat ze niet egaal verspreid zijn over het metselwerk: sommige stenen zijn goed gebakken (en worden dus niet aangetast), andere zijn dat niet en vallen op in het geheel.

Zouten afkomstig uit de bindmiddelen

Sommige cementsoorten bevatten natriumsulfaat dat hevige uitbloeiingen kan veroorzaken. Dat is niet het geval bij de cementsoorten die courant in BelgiŽ geproduceerd en voor metselwerk gebruikt worden, maar de laatste jaren heeft de handel in cement zich geografisch uitgebreid en men weet dus niet meer altijd wat men "in huis krijgt".
De onzekerheid inzake bindmiddelen is ook nog verhoogd door het ontstaan van kant-en-klare mortel. Deze mortels bevatten scheikundige toeslagstoffen om de binding te vertragen en om de consistentie van de mortel te verbeteren. Alhoewel de fabrikanten van kant-en-klare mortel uitbloeiende mortel pogen te vermijden, kan men niet uitsluiten dat er door deze (relatief nieuwe) industrietak al eens foute samenstellingen aangeboden worden.
Men moet hierbij voor ogen houden dat de industriŽle mortel niet permanent dezelfde samenstelling heeft. Afhankelijk van het seizoen waarin geleverd wordt, moeten de bindingsvertragers (bindtijdvertragers) anders gedoseerd worden om de invloed van temperatuur en vochtgehalte in de lucht te compenseren. In de winter kan het zelfs voorkomen dat vorstwerende zouten toegevoegd worden.

Zand, water en toeslagstoffen

Zand en aanmaakwater moeten eveneens zuiver zijn. Dit lijkt evident, maar wordt niet altijd gecontroleerd. Zand is in BelgiŽ overvloedig aanwezig, maar niet elke zandsoort is geschikt als metselzand. In de gevallen waar de mortel nog op de werf wordt aangemaakt gebruikt men soms zand dat niet geschikt is of wordt de mengverhouding niet altijd gerespecteerd. Zo verkrijgt men niet alleen een mortel die na verharding minder goed is (o.m. gevaar voor onvoldoende vorstbestandheid) maar die ook moeilijk te verwerken is.
Om de verwerkbaarheid te verhogen wordt dan soms gebruik gemaakt van detergenten die de oppervlaktespanning van het water verminderen. Achteraf veroorzaken die detergenten dan uitbloeiingen. In het beste geval uitbloeiingen van een onschuldige soort, die door de regen afgewassen worden, maar ze blijven ontstaan tot alle zouten uit de muur verdwenen zijn, wat enkele jaren kan duren. 

Zouten die ontstaan tijdens het metselen

Dit is de meest voorkomende soort.
Cement bevat calciumsulfaat (gips) dat gedeeltelijk kan oplossen als veel water aanwezig is. Bij verharding van cement wordt calciumhydraat gevormd, dat de alkalische silicaten van baksteen aantast. Hierdoor worden kalium- en natriumhydroxides gevormd. Deze hydroxides reageren met het (moeilijk oplosbaar) calciumsulfaat en vormen (goed oplosbaar) natrium- en kaliumsulfaat, dat dan aanleiding geeft tot uitbloeiingen.

De ervaring heeft geleerd, dat men enkel uitbloeiingen krijgt bij metselwerk dat in den beginne nat was. Inderdaad kunnen de oplosbare sulfaten in de mortel zelf omgezet worden tot onoplosbare aluminaten, maar dat proces neemt enige tijd in beslag en is alleen mogelijk indien ze niet in de baksteen verspreid zijn geraakt. Men moet dus vermijden in de mortel meer water te gebruiken dan strikt noodzakelijk en men moet vooral vermijden dat vers metselwerk als gevolg van regen doorweekt wordt.

In het Belgisch klimaat is regen een frequent voorkomend fenomeen; de enige mogelijkheid om vers metselwerk tegen regen te beschermen is het afdekken. Indien dat niet gedaan wordt, dan is er altijd kans dat achteraf uitbloeiingen ontstaan. Dat betekent niet, dat metselwerk dat te nat is geweest noodzakelijkerwijze aanleiding zal geven tot uitbloeiingen. Ook het tijdstip van de definitieve uitdroging, de snelheid waarmee deze uitdroging gebeurt en "tussentijds" verzadigd worden van het metselwerk spelen een rol. Maar dit zijn factoren die door het weer bepaald worden en waarop men geen invloed kan uitoefenen. Het gevolg hiervan is dat bij dit soort uitbloeiingen steeds een factor "bad luck" meespeelt, wat intellectueel weinig bevredigend is.

Zoals hoger gesteld is dit soort uitbloeiingen, veroorzaakt door de wisselwerking tussen cement en baksteen, het meest voorkomende type en er is uiteraard al zeer veel gezocht naar middelen om ze te vermijden. Gipsvrije cement gebruiken is een voor de hand liggende oplossing, maar dergelijke cementsoorten zijn onbetaalbaar.

Hoe vermijdt men uitbloeiingen

De eerste regel is uiteraard, dat men enkel degelijke materialen mag gebruiken: correct gebakken stenen, cement zonder uitbloeiende alkalische zouten, zuiver water, zuiver zand, toeslagstoffen die geen aanleiding kunnen geven tot uitbloeiingen.
Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Gevelbaksteen wordt regelmatig getest op aanwezigheid van uitbloeiende zouten en een baksteen met BENOR-merk is dus veilig. De Portlandcement die in BelgiŽ geproduceerd wordt bevat gips, maar is voor het overige een bekend product. Bij het gebruik van "exotische" cementsoorten weet men niet altijd wat men in huis krijgt.
Dit geldt ook en nog meer bij de keuze van zand. Het gebruik van plaatselijk gedolven zand of "zavel", destijds in sommige streken algemeen verspreid, is niet meer aan de orde, maar komt af en toe nog voor. Zeezand bevat altijd een kleine hoeveelheid zouten, al is het in principe "gewassen" zand. 


Het moeilijkste probleem ligt bij de kant-en-klare mortels, waarvan de juiste samenstelling door de fabrikanten meestal niet bekend wordt gemaakt. Wellicht zou men bij navraag de gewenste informatie wel krijgen, maar in de praktijk bestaat in de bouwwereld de gewoonte kant-en-klare mortels kritiekloos te aanvaarden. Als een jaar na het metselen storende uitbloeiingen zichtbaar worden, dan weet geen mens meer welke mortel destijds gebruikt werd.

De tweede regel is, dat men moet beletten dat vers metselwerk doorweekt raakt. Doet men dit niet, dan bestaat altijd het gevaar dat baksteen en cement met elkaar reageren en uitbloeiende zouten vormen.
Hetzelfde kan zich voordoen bij het ontbreken van een scheidingslaag bij het tegen baksteenmetselwerk aanstorten van beton, waarbij ook uitloging van het beton dient voorkomen te worden.

Theoretisch kan men uitbloeiingen ook vermijden indien men kalk als bindmiddel gebruikt in plaats van cement. Inderdaad heeft kalk een veel eenvoudiger samenstelling dan cement en het gevaar dat er uitbloeiende zouten in aanwezig zijn is dus veel kleiner. Maar dan ontstaat een ander probleem: aangezien de verharding van kalk een zeer langzaam verlopend proces is, is het gevaar voor uitloging van de mortelvoegen gedurende zeer lange tijd aanwezig. Metselwerk dat met kalkmortel is uitgevoerd, moet gedurende lange tijd tegen regen beschermd worden en wel zolang het gevaar bestaat dat kalkmelk (de suspensie van calciumhydroxide in water) over het oppervlak van de stenen loopt en daar na verloop van tijd verhardt. Dat zijn dan gťťn uitbloeiingen, maar het eindresultaat is visueel hetzelfde en bovendien worden kalksluiers door de regen niet afgewassen.

In Nederland, waar meestal bastaardmortel wordt gebruikt en waar in de regel "opgaand" gevoegd wordt, bestaat de gewoonte vers metselwerk met zure oplossing af te wassen om kalksluiers zo mogelijk nog voor het verharden weg te krijgen. Deze traditie bestaat niet in BelgiŽ: meestal wordt cementmortel gebruikt en gebeurt het opvoegen pas enkele maanden na het metselen.
Merkwaardig is wel, dat het middel dat men moet inzetten om uitlogingen te vermijden identiek is met dat wat nodig is om uitbloeiingen te vermijden: vers metselwerk tegen regen beschermen.


*) Met dank overgenomen van Baksteenfederatie