De
trapleuning is een hulpstuk bij een trap waar de hand op rust om gemakkelijk
de trap te belopen.
De leuning wordt bevestigd aan de zijde van de looplijn.
De afstand van de trapleuning tot de trede moet volgens het Bouwbesluit tussen
0,80 en 1,00 m zijn.
Trapleuningen zijn er in verschillende uitvoeringen, bijvoorbeeld als onderdeel van de
balustrade
of als los onderdeel dat met behulp van leuningdragers aan de muur bevestigd is, soms voorzien van een smetplank.
Bevestigen van een leuningdrager aan de muur gebeurt vaak op de volgende manier:
- in beton en andere harde steenachtige materialen meestal met een plug en
schroef of anker
- in hout door licht voorboren en simpelweg schroeven
- in betrekkelijk zachte materialen (gipsblokken) en in holle materialen (cellenbeton,
holle wand) met een chemisch anker (bijvoorbeeld van Pattex)
in combinatie met speciale injectiepluggen of ankerstangen (denk aan de
uithardingstijd); een chemisch anker wordt soms lijmanker genoemd.
Het Bouwbesluit 2012 vermeldt: "Elke volgens artikel 2.27 voorgeschreven trap waarmee een
hoogteverschil van meer dan 1 m wordt overbrugd moet, indien de hellingshoek
van die trap groter is dan 2:3 over de volledige lengte van de trap een leuning hebben. De uitzondering voor kleine trappen, die bij het
Bouwbesluit 2003 uitsluitend van toepassing was op een woonfunctie, geldt nu voor elke gebruiksfunctie.
Bij een trap met een hellingshoek van minder dan 2:3 behoeft geen leuning te worden aangebracht."