home

discl. / , lid NVJ

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z


tamboer

 

tamboer

1. Ook: koepeltrommel. Een tamboer is bij een koepeltoren het ronde of veelhoekige gedeelte tussen de open ruimte en de koepel. (Een koepeltoren is een toren waarvan het bovenste gedeelte de vorm van een koepel heeft.)
Bij de afbeelding onderaan is de tamboer het cilindrische gedeelte onder de koepel



De term tamboer is waarschijnlijk via het Franse tambour (trommelaar, trommel) ontleend aan het Arabische abul, het meervoud van abl (trommel), of aan het Perzische tabir (trommel, pauk); bron Etymologiebank.

Verg. trommel, gewelf, lantaarn, pendentief, viering.

Afbeeldingen Bouwkundige termen van Haslinghuis en Janse en Marianne Smit.

 Eng. tambour; trommel is drum


2. "Een tamboer is een (oorspronkelijk rond) tochtportaal, draaibare tochtdeur." (Bouwkundige termen van Haslinghuis en Janse)

 Eng. tambour


3. "Een tamboer is een palissade of klein houten reduit (versterkte post binnen een vestingwerk) om de toegang tot een brug, trap of oprit te dekken." (Bouwkundige termen van Haslinghuis en Janse)