home

discl. / ©, lid NVJ

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z


stiepel

 

Advertentie:

stiepel, stiepelteken

Ook, soms: middelaar, middeler, stijpel. Een stiepel is in Oost-Nederland een uitneembare middenstijl (losse naald, een soort aanslaglijst) tussen de twee deuren van een baander (staldeur, deeldeur, niendeur, dubbelbrede deur van een boerderij).

Ongeveer in het verticale midden van de stiepel werd vaak met een zogenoemd stiepelteken aangebracht (met de guts, gekrast met een ander scherp voorwerp, of aangebracht met verf). 
Het stiepelteken komt oorspronkelijk uitsluitend voor in de vorm van een langgerekte X en later meer in de vorm van een zandloper
De bedoeling van het stiepelteken was in het begin wellicht een afwering van of bescherming tegen de bliksem, maar misschien ook tegen boze geesten, zoals de IHS bij kelderramen van boerderijen. Het stiepelteken met kruis kwam voornamelijk voor in het katholieke deel van Overijssel (ten oosten van de lijn Almelo-Diepenheim). In Oost-Twente is de traditie van het stiepelteken als gevelteken nog steeds levend. Vaak gaat de X-vorm van het stiepelteken gepaard met een kruis of jaartal of met de initialen van de eigenaar. 

Het Twentsch Genootschap heeft een uitgebreid verhaal over stiepeltekens (het is helaas niet meer in zijn oorspronkelijke vorm beschikbaar, vandaar deze rare link; of klik hier voor de pdf ervan).


baander met stiepel (middenstijl) en stiepelteken (x-vorm in het midden);
klik voor groter (aannemer harry konings):


stiepelteken in langgerekte x-vorm (twentsch genootschap):


stiepelteken in de vorm van een zandloper (twentsch genootschap):


mogelijk vergelijkbaar teken (ihs, hier met kruis bij een kelder"raam"; ihs is het embleem van de jezuļeten maar werd ook gebruikt als afkorting voor iesus ominum salvator ofwel jezus redder der mensen) (heiligen net):


De term stiepel is afkomstig van het Middelnederlandse stipel (stut) naast het Middelnederlandse stiper (schoor, stut); in het Vlaams stijpel (stut, stoelpoot). Bron Etymologiebank.

Verg. stiep (betekenis "stut"), stolpnaald, tongnaald.