1.
Stucmethode. Een pleisterlaag is een dunne laag specie
(mortel) van kalk en/of
cement en gips met
zand die vlak op muur, gewelf
of plafond wordt aangebracht. Pleisterwerk is een gladde wand- en plafondafwerking
zonder naden die geschikt is als ondergrond om te behangen of te
sauzen. Doordat het product niet egaal opdroogt, is altijd een nabehandeling vereist.
De pleister is slechts enkele millimeters tot enkele centimeters dik,
afhankelijk van de methode waarop gepleisterd wordt.
Vroeger werd ook wel gepleisterd met klei
gemengd met hooi waarover een laag Doornikse kalk werd gestreken.
Voorbeelden van pleisterwerk: blauw
pleisterwerk, dekorputz, granol, granietpleister,
krabpleister, metalicpleister, parelpleister, schuurwerk,
spachtelputz, spackspuitwerk
en bv. fresco.
Het woord pleister is ontleend, al dan niet via het Oudfranse plastre
(kalkmengsel, ca. 1165, Nieuwfrans plâtre), aan het Laatlatijnse plastrum,
plaustrum (kalkmengsel, pleisterzalf), verkorte vorm van het klassiek Latijnse
emplastrum (pleisterzalf), dat ontleend is aan het Griekse emplastron
(pleisterzalf), een afleiding van emplassein (smeren op, modelleren), gevormd uit
en- (op), en plassein (smeren, modelleren); bron Etymologiebank.
Eng. pleisterwerk: plasterwork; glad pleisterwerk: smooth plasterwork;
pleisterkalk: plaster, parget; mengsel van fijn marmer en gips: stucco;
pleisteren: to plaster, to parget; berapen: to render; egaal gepleisterde wand:
smooth plastered wall; pleistering: plastering; pleisterkalk: plaster;
pleisterlaag: plaster coat; deklaag van beraping: finishing coat; pleisterwerk
voor decoratie: stucco; het pleisterwerk is enigszins verspocht: the plasterwork
shows some damp patches;
stukadoren is to plaster
2. Ook: gevelbepleistering. Gevelbepleistering is een type gevelbekleding:
de pleisterlaag wordt aan de buitenzijde van het gebouw
aangebracht.