Een
nis is een holte uitgespaard in een wand. De nis fungeert als ruimte om een
beeld, urn of kaars o.d. in te plaatsen. Daartoe heeft de nis meestal een vlakke
onderkant, een soort "inwendige vensterbank". Nissen kunnen
verschillende vormen hebben, bv. als rechthoekige uitsparing of in de vorm van
een rondboog of spitsboog
of schulpvormig (zoals de binnenzijde van een schelp). Soms steken de randen de
nis wat uit ten opzichte van de muur, als een soort schilderijlijst.
De Romeinen pasten de nis al toe. In kerken kwamen veel nissen voor om de
beelden goed uit te laten komen.
In woningen werd vroeger de nis toegepast als
redelijk veilige plaats om, vaak tijdelijk, een blaker (lage kandelaar met een
handgreepje) te plaatsen
als lichtbron. Dit wordt een blakernis genoemd.
Soms wordt een hoge nis bij een open haard toegepast om het haardhout in te leggen.
Het woord nis is ontleend aan het Middelfranse niche (holle ruimte in een
muur, ca. 1400). Waarschijnlijk is het Franse woord niche
een afleiding van het werkwoord nicher (een nest bouwen, ca. 1150), ontwikkeld uit
het vulgair Latijnse nidicare (nest), van het het Latijnse nidus
(nest). De afleiding uit het Italiaanse nicchio
(schelp) is onwaarschijnlijk omdat dat woord pas in de 16e eeuw is verschenen.
Bron Etymologiebank.