Een
keper is een dakspar (rib van een spant), de
schuine dakbalk waarop vroeger bv. de horizontale latten werden gespijkerd waarop de pannen rustten.
De keper behoeft niet noodzakelijk een dikke spant te zijn maar kan ook bv. 5x6
cm zijn, afhankelijk van de bouwtechnische constructie (afbeelding geheel
onder).
Het woord keper is ontleend aan het vulgair Latijn caprione
(dakspant, stutbalk), afleiding van capreus, een nevenvorm van klassiek
Latijn caper (bok). Naar analogie hiervan kreeg het woord o.m. in de heraldiek de betekenis
"twee banden, die in een spitse naar boven staande hoek bij elkaar komen" (als omgekeerde
V, zie bv. bij keperboog).
Bron Etymologiebank.