home

discl. / , lid NVJ

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z


Houten vloeren

 

houten vloeren *)
Het gebruik van planken om een vloer te maken is zo oud als het vermogen van timmerlieden en zaagmolens om planken te zagen. Het vroegste en vanouds meest gangbare type houten vloer, is de vloer waarvan de planken direct op de balken zijn gespijkerd en waarbij de planken in het zicht blijven. Deze vloeren zijn aan te treffen van boerderijen en arbeidershuisjes tot kastelen en landhuizen en worden afwerkvloeren genoemd.
Aanvankelijk waren de planken van eikenhout, later van grenenhout. Alleen grenen planken worden 'delen' genoemd. Soms werden erg dikke planken gebruikt, tot wel 20 cm dikte, zonder ondersteunende balklaag. 
In de loop der tijd doet vloerbedekking zijn intrede. Aanvankelijk wordt de vloer gedeeltelijk bedekt met bijvoorbeeld een tapijt. Later wordt de gehele vloer belegd met bijvoorbeeld tapijt of hout zoals parket. Bij parket spreekt men dan van een dekvloer. Globaal vanaf de 19e eeuw wordt de vloer bewust geschikt gemaakt om er een vloerbedekking op te leggen. Er is dan minder aandacht voor de soort en de kwaliteit van het gebruikte hout. Het type vloer dat dan ontstaat wordt blinde- of ondervloer genoemd en is vaak van vurenhout. 
Een apart type houten vloer is de kopse-blokjesvloer of houtbestrating. Deze vloer bestaat uit korte stukjes rechthoekige balk, die met de kopse zijde naar boven op een steenachtige ondergrond worden gelegd of gelijmd. Het hout wordt gewoonlijk in visgraatverband gelegd. Wanneer de ondergrond zand is, worden grotere blokken gebruikt die in halfsteens verband worden gelegd. 
Een kopse-blokjesvloer is onder meer geluiddempend en vonkdovend. Om deze redenen is de vloer vaak toegepast in bedrijven, laboratoria en werkplaatsen of, zoals bij het Paleis het Loo, als vloer in de paardenstallen.
De kopse blokjes werden in de 19e eeuw ook als bestrating toegepast op bruggen en tussen tramrails.

Om hout te besparen werden vroeger de planken niet rechthoekig gezaagd, maar behield men de taps toelopende vorm van de boom om de plankbreedte optimaal te benutten. Zij werden dan om en om gelegd (kop-staart) met als gevolg niet evenwijdig lopende naden.
Wanneer smalle lange planken werden gebruikt dan spreekt men van stroken- en riftvloeren, ook wel schipvloeren genoemd. De planken van een riftvloer zijn zogenaamd riftgezaagd of kwartiersgezaagd. Dat wil zeggen ongeveer haaks op de jaarringen. Deze planken zijn meer slijtvast en krimpen minder in de breedte. Bij een variant van de strokenvloer, de zogenaamde Wenervloer, worden korte planken van balk tot balk onder een hoek van 45 gelegd. De uiteinden van de planken worden onder verstek of in keper- of visgraatverband tegen elkaar gelegd, soms ook wel onder verstek tegen een plank die in de lengterichting op de balk is gelegd.

De planken bleven onbehandeld of werden bewerkt met was of lijnolie. Naast deze bewerking kwamen ook beschilderde vloeren voor. De schildering bestond soms uit een imitatie van een andere afwerking, zoals natuursteen, plavuizen, hout of tapijten. De vroegst bekende schilderingen, uit de 17e eeuw, zijn imitaties van parket. De 18e eeuw kende veel natuursteenimitatie, terwijl de 19e eeuw wordt gekenmerkt door tapijtimitatie. Wanneer een apart plafond ontbreekt, vormen de planken tevens het plafond voor de onderliggende ruimte. Vaak is de onderkant van de planken voorzien van een plafondschildering.


 

 

*) Met dank aan Monumentenzorg (Cultureel Erfgoed).