|
glas, handmatige productie *) |
|
|
Alles over glas: handmatige productie van vensterglas tot 1900
Inleiding
De handmatige productie van vlakglas kende tot in de twintigste eeuw een
aantal basistechnieken. Het bekende vensterglas is daarvan een van de
belangrijke producten. Het was niet geslepen en gepolijst.
Schijvenglas
Een stang werd in de hete en stroperige glasmassa gestoken, zodat er een klomp
gesmolten glas aan kleefde. Door nu de stang snel om zijn lengteas te laten
ronddraaien, kon de klomp glas door de middelpuntvliedende kracht worden uit
geslingerd tot een min of meer vlakke schijf, met in het midden een verdikking
(daar waar de stang nog aanhechtte). De diameter van deze glasschijf was
variabel. Men sneed ofwel kleine ruitjes uit deze schijf, of men paste dit
glas toe met de verdikking in het midden van de ruit. Deze toepassing werd ook
wel 'butzenglas' of 'bull's eye' genoemd.
Maan- of kroonglas
In 1330 vindt Philippe de Cacquerrai een blaasmethode uit om grotere vlakke
glasschijven te maken. Uit oude geschriften zou kunnen worden geconcludeerd,
dat in Syrië in de achtste eeuw al iets als kroonglas zou hebben bestaan. Bij
deze techniek werd blaaspijp in de hete en stroperige glasmassa gestoken,
waardoor aan de blaaspijp een klomp glas kleefde. Door blazen en draaien werd
hier een bol gevormd met enige verdikking aan de onderzijde. Na diverse malen
opnieuw te hebben opgewarmd, wist men deze bol af te platten. Vervolgens
kleefde men aan deze afgeplatte zijde een werkstang: het pontil-ijzer. De
blaaspijp aan de bolle zijde werd daarna afgesneden. Door draaien en met
behulp van een houten spatel werd een kelkvorm verkregen. Verder uitslingeren
resulteerde uiteindelijk in een vlakke, ronde glasschijf. De verdikking in het
centrale deel was ten opzichte van het veel oudere schijvensysteem aanzienlijk
minder. Met dit systeem, ook wel maan- of kroonglas genoemd, konden diameters
worden bereikt van ongeveer 125 cm. Door het gladde en strakke oppervlak was
het een direct bruikbaar product.
Cilinders
De Duitse monnik Theophilus beschrijft in de elfde of twaalfde eeuw reeds het
maken van vlakglas door aan de blaaspijp lange holle cilinders uit te blazen.
Deze blaasmethode is eeuwenlang toegepast en uiteindelijk kon men cilinders
blazen van circa twee meter lengte en 30 tot 45 cm diameter. De blaaspijp werd
verschillende keren in het vloeibare glas gedompeld, net zo lang tot men een
klomp glas had van ongeveer 25 kg. De blaaspijp alleen woog al ongeveer 22 kg,
zodat de glasblazer met een gewicht van ongeveer 47 kg moest manoeuvreren! Er
ontstond een cilinder van glas met behulp van enig gereedschap, maar vooral
door het blazen door de blaaspijp en het ronddraaien van pijp en glasbol én
het uit slingeren van deze bol tot een cilinder boven een werkput. Zodra de
cilinder groot genoeg was, werd hij onderaan plaatselijk verhit en dan open
geblazen. Door dan dit uiteinde te verwarmen en snel rond te draaien nam de
cilinder uiteindelijk van onderen een open vorm aan. Daarna werd de bolle kop
van de cilinder afgesneden.
Na afkoeling werden de cilinders met een roodgloeiende ijzeren staaf
gespleten en daarna gevlakt in een strekoven. Het doorsnijden van de cilinders
gebeurde later door middel van een diamantglassnijder.
Dit blaasprocédé werd in ons land nog in de jaren tot kort na de eerste
wereldoorlog toegepast in de 'Eerste Hollandse Vensterglasfabriek' in
Maassluis.