home

discl. / İ, lid NVJ

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

advertenties:


Fundering, een stukje geschiedenis

 

fundering, stukje geschiedenis *) 


Fundering

Oorspronkelijk werd in het westelijke en moerassige deel van Nederland alleen in hout gebouwd. De gevels werden aan of tussen in de grond gestoken palen bevestigd, waarop tegelijk ook de dakconstructie werd bevestigd.
Toen men in steen ging bouwen, zoals bij kerken en verdedigbare huizen, moest daarvoor in de grond een draagconstructie worden gemaakt. Tot ca.1275 maakte men daartoe een "bouwvlot", bestaande uit dwarsliggende paaltjes en daaroverheen, in de lengterichting van de muren, lange palen. Het "drijvende" karakter hiervan was de reden om in de 14e eeuw onder het vlot en dicht tegen elkaar de slechts ca. 2 m lange slieten te heien. Deze reikten nog niet tot een vastere zandlaag, maar door deze wijze van "op kleef" heien werd een zekere mate van grondverdichting bereikt. Een verfijning hierbij was het afvlakken van de bovenkant van het vlot door dikke gekloofde planken.

Aan het eind van de 14e eeuw ontstaat opnieuw een verbetering. Deze bestond hieruit dat de slieten werden geheid tussen een roosterwerk van aan elkaar genagelde ronde eiken stammen in de lengterichting. Met daarop op bepaalde afstanden uit elkaar, korte dwarsliggende rondhouten.


Van het begin van de 16e eeuw tot na de 17e eeuw maakte men de roosters van behakte ribben, welke met een zwaluwstaart in elkaar gezet worden.
In de ontstane vakken heit men dan de palen van verschillende zwaarte en lengte. Langzamerhand zal men ontdekt hebben dat enkele lange palen tot op de vaste zandlaag geheid, minstens evenveel draagkracht bezitten als een bos slieten.
Het koppelen van deze daarom verder uit elkaar staande palen leidde naar de vanaf 17e eeuw alom gebruikelijke Amsterdamse funderingsmethode.In de Zaanstreek, waar men in hoofdzaak in hout bouwde, werd een eenvoudiger methode gebruikt. Dit komt omdat de meeste huizen hier op penanten of poeren en op voetingmuren werden gebouwd, welke onder de skeletstijlen waren geplaatst.

Benamingen van heipalen

Joffers of juffers Deze werden gebruikt in lengten van 18 tot 24 voeten.
Dubbele 12 elles Zwaarder dan juffers en 22 voet lang.
Kolders Kortere juffers, ca 6 voet lang.
Sparren Lichtere juffers.
Spieren  Meestal langer en zwaarder dan sparren en zonder of met weinig kwast.
Stokken Zeer dunne paaltjes, vaak van een andere soort hout dan naaldhout. Ze werden tot een bosje bij elkaar geheid en werden ook slieten genoemd.
Masten of mastpalen Dit waren de langere heipalen van 36 tot 44 voet lang.


Het heien

Handheien 
Kleinere palen werden met de hand geheid. Meestal werd daartoe eerst een gat gegraven waarin de paal werd geplaatst. Vervolgens werd dan de marie er op gezet, een lange stam met in het midden een holte die om de heipaal past. Daaraan gingen 5 of 6 man hangen om de paal een eind in de grond te drukken. De marie werd dan weer weggenomen en het heien kon beginnen.

De trekhei
Hierbij werd het heiblok door vele mannen omhoog getrokken en losgelaten. Hun aantal varieerde van 20 tot 30 man naar gelang de zwaarte van het heiblok. 
Om het goede ritme erin te houden werd een "heilied" gezongen. Bij het gezamenlijk optrekken van het heiblok zong de heibaas, in ieder geval in de Zaanstreek, bij elke slag een regel van het lied, dat uit 3 x 10 regels bestond:

1 Marie Troet
2 uit Wormerveer
3 scheurde haar hemd
4 en naaide het weer
5 zet hem neer
6 neer
7 neer
8 zet hem neer
9 neer
10 neer
1 Een opnieuw
2 twee met elkaar
3 drie allegaar
4 vier
5 vijf 
6 zes
7 zeven
8 acht over
9 negens 
10 tien met de pet
1 Een opnieuw
2 hoogop
3 nog een klop
4 op zen kop
5 vijf
6 zes
7 zeven
8 acht over
9 negens
10 tien met de hoed.


De 30 slagen met het heiblok noemde men vroeger, en nu nog steeds, een tocht
In de 17e en 18e eeuw werd een dergelijke hei-installatie wel voor de ingezetenen bij de kerk in bewaring gehouden. De naam kerckhei of keckhay komt dan ook nog al eens voor.

De tegenwoordige tijd

Een houten fundering moet altijd geheel onder de laagste waterstand blijven. Dit brengt veel grondwerk met zich mee.
De komst van betonconstructies heeft hier een belangrijke wijziging in gebracht. Men kan op de houten palen betonnen opzetters mee inheien en daarover betonbalken storten. Ook geheel betonnen palen worden tegenwoordig steeds meer toegepast. Deze zijn in grote lengten te maken. Dit is noodzakelijk omdat zware bouwwerken op de diepere vaste zandlagen moeten dragen. Deze palen worden ingeheid, gedrukt of getrild. Boorpalen worden gemaakt door in de grond geboorde gaten naderhand met beton en wapeningsijzer te vullen. Deze methode wordt regelmatig gebruikt om schade aan belendende percelen te voorkomen.
Het spreekt vanzelf dat met het wijzigen van de funderingsmethoden ook de daarvoor benodigde heitoestellen drastische wijzigingen hebben ondergaan.


*) Met dank aan (v/h) Zaaninfo.