home

discl. / , lid NVJ

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z


belfort

 

belfort

1. Ook: belfroot. Vanaf de 13e eeuw is een belfort een klokkentoren aan of bij een stadhuis of markthal. Vooral in het welvarende Vlaanderen komen deze klokkentorens voor. In de hoogte lijken zij sterk op de torens van kerken; hier wordt bewust voor gekozen als zinnebeelden van de stedelijke vrijheid en macht. Tot die tijd hadden immers alleen de vorsten en de kerk het geld om dit soort gebouwen/aanbouwen te financieren.
Daarnaast heeft het belfort soms ook betekenis als vestingwerk.


belfort van brugge, 88 m hoog, 366 treden, een indrukwekkend uurwerkmechanisme, met daarboven de beiaard (het carillon of klokkenspel) 
met 47 klokken


De term belfort is ontleend aan het Oudfranse beffroi, ouder berfroi (belegeringstoren), via een volksetymologische vorming: het belfort is dan het fort, de versterkte toren, waarin de klok, of bel, hangt; bron Etymologiebank. Beffroi is Frans voor klokkenkamer (de ruimte in de toren waarin de luidklok hangt). 
De term belfort is is een zogenoemde metathese van belfroot (beffroi is immers de bron). Metathese of metathesis is het verwisselen van plaats van een medeklinker, vaak de "r", denk aan ros en horse, aan vorst en frost, christen en kerst); de term metathese komt van het Griekse meta (na, achter, veranderd, hoger) en tithenai (plaatsen); bron Online Etymology Dictionary. Zie ook bij vorst (vrieskou).

Eng. belfry, bell tower


2. Zie klokkenstoel.
 
Eng. bell frame, bell cage