home

discl. / , lid NVJ

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z


beer

 

beer

1. Een beer is een meestal gemetselde waterkering in een gracht. "Om de overgang van de beer moeilijker te maken heeft de bovenzijde vaak de vorm van een ezelsrug (spits toelopend) en is er op de beer een monnik geplaatst (een opstaande hindernis van metselwerk of natuursteen). 

Een beer kan de volgende functies hebben:
- scheiding respectievelijk regulering van de waterstand in een gracht, eventueel door middel van een sluis (sluisbeer)
- als holle beer, voor het doorlaten van personeel
- als holle beer, voor het doorlaten van personeel en bovendien voorzien van schietgaten (voor grachtsflankement)."

In bijvoorbeeld Naarden werden de beren gebouwd om zoet en zout water te scheiden: het zoete water van de grachten en het zoute water van de toenmalige Zuiderzee.


beer, hier met ezelsrug en een moderne versie van een monnik; waterkering naarden (foto p. duinker)


Beer betekent "varken"; om de gelijkheid in vorm wordt deze waterkering een beer genoemd: "Gelijk den rugghe van een swijn", zegt Simon Stevin. Ook het "beer" in
steunbeer is hieraan verwant. Bron Etymologiebank.

Aangehaalde tekst met dank aan Terminologie vestingwerken (van Stichting Menno Coehoorn) en D.A. vd Ree.

Eng. dam; steunbeer is buttress


2. Beer is een verouderde term voor menselijke uitwerpselen, zie beerput.

 
Eng. feces, night soil (indien gebruikt als mest)