hout, allerlei

Dwarsdoorsnede van een boom *)


Van buiten naar binnen onderscheiden we:


*) Met dank overgenomen uit het boek Bouwmaterialen, van ing. M.W. Verver.



Andere doorsneden **)

naaldhout legenda

D = dwarsdoorsnede

R = radiale doorsnede

T = tangentiale doorsnede

 

B = bast

J = jaarring

V = vroeghout

L = laathout

 

c = cambium

m = mergstraal of houtstraal

h = harskanaal of houtparfenchym

soorten cellen van een conifeer (rechterbovenhoek gaat richting midden van de stam)


**) Bron onbekend.



Het ontstaan van een noest (kwast) *)

Tijdens de groei van de boom ontwikkelen zich aan de stam de takken (figuur a en b). De door de stam ingesloten gedeelten van takken noemen we noesten of kwasten (figuur c en d).

*) Met dank overgenomen uit het boek Bouwmaterialen, van ing. M.W. Verver.

Het wateren van hout; drogen van hout

Bij het wateren van hout worden de stammen enige tijd in liefst stromend water gelegd (balkenvijvers) met als  doel

het behoud van de kwaliteit: er ontstaan minder scheuren en schimmels, insecten tasten het hout later minder aan.


Het drogen van hout kan op twee manieren: natuurlijk (in de open lucht) of kunstmatig (in droog- of klimaatkamers).
Het gemiddeld vochtgehalte van natuurlijk gedroogd hout bedraagt ongeveer 18%; meestal is het wat meer. Als het vocht gehalte van het hout onder de 18% moet komen, dan is men aangewezen op een droogkamer. Het lagere vochtgehalte wordt hierbij (gecontroleerd) in kortere tijd bereikt. Scheurvorming, verkleuring en aantasting worden uiteraard vermeden.

Hout voor parketvloeren wordt altijd kunstmatig gedroogd.




Duurzaamheid ***)

Voor de natuurlijke duurzaamheid van houtsoorten tegen schimmels bestaan de volgende vijf klassen:
 
Duurzaamheidsklasse 1: zeer duurzaam
Duurzaamheidsklasse 2: duurzaam
Duurzaamheidsklasse 3: gemiddeld duurzaam
Duurzaamheidsklasse 4: beperkt duurzaam
Duurzaamheidsklasse 5: niet duurzaam. 
 
klasse loofhout naaldhout
1 afzelia, azobé (in watercontact), bilinga, demerara groenhart, jarrah, mansonia, moabi, okan, padoek, pau amarelo, teak, walaba  
1-2 afrormosia, iroko, kapur, merbau, robinia  
2

 

azobé, bangkirai, basralocus, bossé, bubinga, cedrela, Europees eiken, karri, kastanje, kempas, louro vermelho, mahonie, sepetir, wengé taxus, western red cedar
2-3 Amerikaans wit eiken, kosipo, purperhart, sipo, tola branca  
2-4 donkerrode meranti (dark red meranti)  
3 cedrorana, danta, keruing, movingui, mutenye, niangon, noten, sapeli, tiama douglas fir, pitch pine
3-4 dibétou, krappa, lichtrode meranti (light red meranti), red balau agathis, grenen, lodgepole pine
4 Amerikaans rood eiken, avodiré, eyong, hickory, iepen, limba, mengkulang, okoumé Amerikaans grenen, Carolina pine, dennen, hemlock, southern pine, vuren, weymouth
4-5 ogea parana pine, radiata pine, sitka spruce
5

 

abachi, abura, baboen, berken, Europees beuken, essen, elzen, esdoorn, haagbeuken, fuma, ilomba, koto, linden, populieren, ramin sugi


Tabel: duurzaamheidsklasse voor de gangbare houtsoorten volgens EN 350-2.

Een aantal houtsoorten is niet specifiek in een bepaalde klasse in te delen, omdat de herkomst (het groeigebied) invloed kan hebben op de duurzaamheid ervan.

 
***) Bron: Centrum Hout en houtsnijder Harry Leurink




Versteend hout