| |
hout,
allerlei
Dwarsdoorsnede van een boom *)
![]() |
Van
buiten naar binnen onderscheiden we:
Schors: de afgestorven verkurkte bast. De schors beschermt de boom voor invloeden van buiten (aantasting, vorst).
Bast: een vrij dunne laag weefsel dat de voedingsstoffen (suikers) die in de bladeren van de boom met behulp van zonlicht, bladgroen en koolzuur uit de lucht zijn gevormd, in water opgelost naar de wortels te transporteren.
Cambium
of teeltlaag: slechts één cel laag dik
"weefsel", dus ca. 0,02 à 0,03 mm, waar door celdeling de groei
van het hout (bast en spint) plaatsvindt. Direct na de celdeling zijn de
cellen dunwandig en met "leefstof" (protoplasma)
gevuld. Bij het afsterven, het zogenaamde verhouten,
verandert het protoplasma in voornamelijk twee zeer belangrijke versterkende
stoffen, cellulose en lignine.
Een bepaalde laag in de cellulose speelt de belangrijkste rol bij
vormveranderingen in de breedterichting van het hout onder invloed van
vocht. Door hout opgenomen vocht kan namelijk tussen de cellulosebundels
kruipen en deze van elkaar duwen. In de lengterichting kan dat praktisch
niet. Vandaar de grote verschillen in krimpen en zwellen door vocht
in de lengte- en breedterichting.
Het cambium zorgt in ons klimaat voor de groeiring
(vroeger: jaarring; klik op de foto's
rechtsboven)
Spint of spinthout: het levende deel van een boom, dat uit een aantal groeiringen bestaat. Het spint is in de levende boom zeer rijk aan water en voedsel omdat door dit hout het transport van water plaatsvindt van de wortels naar de kruin.
Kernhout: op zeker moment sterft het spinthout aan de "binnenzijde" af en ondergaan de groeiringen een verandering, het zogenaamde verkernen. De kern heeft vaak een donkerder kleur dan het spint.
![]() |
![]() |
![]() |
*)
Met dank overgenomen uit het boek Bouwmaterialen, van ing. M.W. Verver.
Andere doorsneden **)
| naaldhout | legenda |
![]() |
D = dwarsdoorsnede R = radiale doorsnede T = tangentiale doorsnede
B = bast J = jaarring V = vroeghout L = laathout
c = cambium m = mergstraal of houtstraal h = harskanaal of houtparfenchym |
| soorten cellen van een conifeer (rechterbovenhoek gaat richting midden van de stam) |
|
**) Bron onbekend.
Het
ontstaan van een noest (kwast) *)
Tijdens
de groei van de boom ontwikkelen zich aan de stam de takken (figuur a en b). De
door de stam ingesloten gedeelten van takken noemen we noesten of kwasten
(figuur c en d).
*)
Met dank overgenomen uit het boek Bouwmaterialen, van ing. M.W. Verver.
Het wateren van hout; drogen van hout
Bij het wateren van hout worden de stammen
enige tijd in liefst stromend water gelegd (balkenvijvers) met als doel
het behoud van de kwaliteit: er ontstaan minder scheuren en schimmels, insecten tasten het hout later minder aan.
Het drogen van hout kan op twee manieren:
natuurlijk (in de open lucht) of kunstmatig (in droog- of klimaatkamers).
Het gemiddeld vochtgehalte van natuurlijk gedroogd hout bedraagt ongeveer 18%;
meestal is het wat meer. Als het vocht gehalte van het hout onder de 18% moet
komen, dan is men aangewezen op een droogkamer. Het lagere vochtgehalte wordt
hierbij (gecontroleerd) in kortere tijd bereikt. Scheurvorming, verkleuring en
aantasting worden uiteraard vermeden.
Hout voor parketvloeren wordt altijd kunstmatig gedroogd.
Duurzaamheid ***)
| Voor de natuurlijke
duurzaamheid van houtsoorten tegen schimmels bestaan de volgende vijf
klassen: |
||
| Duurzaamheidsklasse 1: zeer
duurzaam Duurzaamheidsklasse 2: duurzaam Duurzaamheidsklasse 3: gemiddeld duurzaam Duurzaamheidsklasse 4: beperkt duurzaam Duurzaamheidsklasse 5: niet duurzaam. |
||
| klasse | loofhout | naaldhout |
| 1 | afzelia, azobé (in watercontact), bilinga, demerara groenhart, jarrah, mansonia, moabi, okan, padoek, pau amarelo, teak, walaba | |
| 1-2 | afrormosia, iroko, kapur, merbau, robinia | |
| 2
|
azobé, bangkirai, basralocus, bossé, bubinga, cedrela, Europees eiken, karri, kastanje, kempas, louro vermelho, mahonie, sepetir, wengé | taxus, western red cedar |
| 2-3 | Amerikaans wit eiken, kosipo, purperhart, sipo, tola branca | |
| 2-4 | donkerrode meranti (dark red meranti) | |
| 3 | cedrorana, danta, keruing, movingui, mutenye, niangon, noten, sapeli, tiama | douglas fir, pitch pine |
| 3-4 | dibétou, krappa, lichtrode meranti (light red meranti), red balau | agathis, grenen, lodgepole pine |
| 4 | Amerikaans rood eiken, avodiré, eyong, hickory, iepen, limba, mengkulang, okoumé | Amerikaans grenen, Carolina pine, dennen, hemlock, southern pine, vuren, weymouth |
| 4-5 | ogea | parana pine, radiata pine, sitka spruce |
| 5
|
abachi, abura, baboen, berken, Europees beuken, essen, elzen, esdoorn, haagbeuken, fuma, ilomba, koto, linden, populieren, ramin | sugi |
|
|
||
|
|
||
Versteend hout
![]() |