| |
Ook:
gebouwfunctie. In
het Bouwbesluit is de gebruiksfunctie de functie die aan een gebouw of
ruimte in een gebouw is toegekend. Letterlijk is de tekst: "De gedeelten van
één of meer bouwwerken op een perceel of standplaats, die dezelfde gebruiksbestemming hebben en die tezamen een gebruikseenheid
vormen."
Simpel gesteld zijn de diverse functies: wonen, werken, verplaatsen, recreëren,
zorgen en leren.
Er worden in art. 1.1.3 twaalf functies onderscheiden:
- woonfunctie
- bijeenkomstfunctie
- celfunctie
- gezondheidsfunctie
- industriefunctie
- kantoorfunctie
- logiesfunctie
- onderwijsfunctie
- sportfunctie
- winkelfunctie
- overige gebruiksfunctie (bv. garage)
- "bouwwerk geen gebouw zijnde".
Soms deelt een gebruiksfunctie ruimtes of voorzieningen met andere gebruiksfuncties. Zo is het gezamenlijke trappenhuis van een woning boven
een winkel een gemeenschappelijke ruimte bij twee verschillende gebruiksfuncties, namelijk
"wonen" en "winkel". De definities van de gebruiksfuncties zijn opgenomen in het
Bouwbesluit
2003 (Bouwbesluit 2003
online).
Het onderscheid naar functie is belangrijk omdat hieraan allerlei voorschriften gekoppeld zijn zoals aantal vereiste toiletten, brandwerendheid,
verkeerslawaai (geluidswering), daglichtoppervlakte (ramen), lift verplicht
e.d.
Er bestaan ook subgebruiksfuncties zoals "woonfunctie van een
woonwagen". Ook combinaties zijn mogelijk: een winkelwoning is een
voorbeeld van een "woonfunctie niet gelegen in een
woongebouw" en een "winkelfunctie".
Zie ook bezettingsgraadklasse,
brandcompartiment, herbestemming,
bouwlaag, optoppen,
dubbel grondgebruik.
Eng. designated use, functional use, functional purpose, the use to
which a building is put, function