| |
|
|
|
1. In de klassieke bouwkunst is het fries een vaak doorlopende band met voorstellingen. Het fries behoort tot het hoofdgestel en bevindt zich tussen architraaf en kroonlijst.
Op de afbeelding links geeft nr. 5 het fries aan (zie Griekse bouwkunst).
|
|
|
Het hoofdgestel is te verdelen in architraaf, fries, geison, timpaan en
cimaas. Aan de voet en de bovenkant van het hoofdgestel staan meestal
akroterions. |
De term fries is, al dan niet via het Franse frise (fries), ontleend aan
het middeleeuws Latijnse frisium (fries), dat een nevenvorm is
van frigium/phrygium (versiersel, franje), een woord dat teruggaat op de volksnaam van de Frygiërs, vanwege hun artistieke
eigenschappen; bron
Etymologiebank.
Zie ook metope en triglief.
Afbeelding onder Thinkquest.
2. Een fries is in ruimere zin een horizontale band met schilder- of beeldhouwwerk,
metselwerk of mozaïek e.d. om een muurvlak aan de bovenzijde te begrenzen of
om het in te delen. Zulke friezen zijn bv. boogfries,
keperfries, rondboogfries,
spitsboogfries, trapfries,
zaagtandfries.
Eng. frieze