fries

1. In de klassieke bouwkunst is het fries een vaak doorlopende band met voorstellingen. Het fries behoort tot het hoofdgestel en bevindt zich tussen architraaf en kroonlijst

Op de afbeelding links geeft nr. 5 het fries aan (zie Griekse bouwkunst). 

 

Het hoofdgestel is te verdelen in architraaf, fries, geison, timpaan en cimaas. Aan de voet en de bovenkant van het hoofdgestel staan meestal akroterions.
Legenda tekening links:
1. akroterion
2. cimaas
3. timpaan
4. geison
5. fries
6. architraaf
7. abacus
8. echinus
9. voluut
10. zuilschacht
11. cannelures


De term fries is, al dan niet via het Franse frise (fries), ontleend aan het middeleeuws Latijnse frisium (fries), dat een nevenvorm is van frigium/phrygium (versiersel, franje), een woord dat teruggaat op de volksnaam van de Frygiërs, vanwege hun artistieke eigenschappen; bron
Etymologiebank.

Zie ook metope en triglief.
Afbeelding onder Thinkquest.

Eng. frieze


2. Een fries is in ruimere zin een horizontale band met schilder- of beeldhouwwerk, metselwerk of mozaïek e.d. om een muurvlak aan de bovenzijde te begrenzen of om het in te delen. Zulke friezen zijn bv. boogfries, keperfries, rondboogfries, spitsboogfries, trapfries, zaagtandfries.
Eng. frieze